Dr. A. (Bram) Bakker, psychiater




J.J. Olthoff,

Gezinsvoogd Bureau Jeugdzorg Drenthe

Postbus 263,

9400 AG ASSEN


                                                                                  Amsterdam, 4 oktober 2005,


Geachte heer Olthoff,


Op verzoek van haar behandelend psychotherapeut, de heer H. Vlamings, zag ik op donderdag 29 september 2005 mevrouw J. Booij, geboren 24-11-1963. Zij is bij u bekend vanwege onder meer problemen rond een omgangsregeling met haar dochter Julia.

Ongetwijfeld bent u al uitvoerig op de hoogte van de situatie rond moeder en dochter, en ik zal deze daarom niet opnieuw gaan beschrijven.

Teneinde niet teveel betrokken te raken in de vele opinies die er al over mevrouw Booij zijn geveld, heb ik geen stukken bestudeerd. Wel kreeg ik van haar een kopie van uw brief van 18 augustus j.l. (kenmerk JJO/Jbooij 2174/JO/rb), waarin u stelt een psychiatrisch onderzoek nodig te hebben alvorens over te kunnen gaan tot hervatting van de omgangsregeling. Met name speelt daarbij de vraag of (professionele) hulpverlening ingeschakeld zou moeten worden.

In het gesprek met mevrouw Booij, dat grotendeels plaatsvond in aanwezigheid van haar partner (niet de biologische vader van Julia) en dat ruim twee uur duurde, heb ik geen enkele aanwijzing kunnen vinden voor het bestaan van een psychiatrische stoornis, en zeker geen die mevrouw Booij tot een ongeschikte moeder zou maken.

Naar mijn mening gaat het om een intelligente vrouw, die haar hele leven naar behoren heeft gefunctioneerd, maar die wel merkbaar lijdt onder de gebeurtenissen van het afgelopen jaar. Het zou overigens vreemd zijn als dat laatste niet het geval was.


Het psychiatrisch onderzoek in engere zin zou ik als volgt willen samenvatten:

Ik zag een goed verzorgde vrouw met een uiterlijk jonger dan haar kalenderleeftijd, die op adequate wijze contact maakte. In de loop van het gesprek was duidelijk sprake van contactgroei. Het bewustzijn was helder, de oriëntatie in tijd, plaats en persoon ongestoord. De waarneming was eveneens ongestoord, er was geen enkele verdenking voor wanen of hallucinaties. De intelligentie was bovengemiddeld, het denken snel en coherent. Inhoudelijk was er enige preoccupatie met hetgeen haar is overkomen. De stemming was normofoor met een modulerend affect. Van suïcidaliteit was geen sprake. Er was sprake van een goed inzicht in haar situatie, met als enige kanttekening een lichte neiging tot externaliseren.


Mijn conclusie is dat er geen sprake is van een psychiatrische stoornis, zoals deze worden gediagnosticeerd op As I van het DSM-systeem.

Met betrekking tot de persoonlijkheid kan ik geen vergaande uitspraken doen, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat een goed functionerende arts die in de eerste veertig jaar van haar leven niet of nauwelijks met GGZ of justitie in aanraking is geweest een persoonlijkheidsstoornis heeft. Over eventuele neurotische problematiek blijft het speculeren, maar voor de omgang met haar dochter is dit ook niet relevant. Ik ben dan ook van mening dat het in belang van moeder en dochter is dat zo spoedig mogelijk gestart wordt met de hervatting van de omgangsregeling. Speciale voorzorg lijkt me daarbij niet geboden.


Uiteraard ben ik gaarne bereid tot een nadere toelichting, met de meeste hoogachting,


Dr. A. Bakker, psychiater